Historie

De 19e eeuw is de tijd van burgers en stoommachines, de tijd van het ontstaan van een parlementair stelsel en de toename van de  volksinvloed, de tijd van de industriële revolutie en de opkomst van de emancipatiebewegingen. De 19e eeuw is de eeuw van de grote tegenstellingen op politiek (liberalen contra conservatieven, antirevolutionairen en katholieken) en kerkelijk (vrijzinnigen contra orthodoxen) terrein. En deze eeuw is ook de eeuw van de schoolstrijd, de eeuw van de ontstaansgeschiedenis van de Christelijk Nationale School in Wâlterswâld.

In 1787 wordt de eerste steen van een nieuwe school in Driezum gelegd. ‘’k Staa open en gereed ten nut van ’t Algemeen’ is de tekst die deze steen siert. Dat het onderwijs er ook hoort te zijn voor het ‘inscherpen van de vreze des Heeren’, staat nog wel in de statuten, maar wordt in deze tijd niet belangrijk genoeg geacht om in de eerste steen te zetten. De schoolwet van 1806 maakt de school tot staatsschool die rekening dient te houden met alle godsdienstige opvattingen. Het blijkt voor de school moeilijk om het christelijk karakter te bewaren.

In de Dokkumer Wouden ontstaat zo langzamerhand een voedingsbodem voor bijzonder, christelijk onderwijs. De Afgescheidenen buiten de Nederlands Hervormde Kerk en de zogenaamde Waarheidsvrienden binnen de Nederlands Hervormde Kerk willen graag een eigen school beginnen. Voor Dantumawâld, Driezum en Wâlterswâld wordt de Vereniging tot bevordering van Christelijk Nationaal Schoolonderwijs opgericht. Een belangrijke steunpilaar voor de vereniging is baron van Sytzama, die tegelijkertijd burgemeester is. Het stichten van een nieuwe school is geen weg zonder moeilijkheden. Geldgebrek vertraagt de plannen en van overheidskant valt niets te verwachten. Na een grote geldinzamelingsactie in 1868 komt er een bedrag binnen van 3000 gulden. Het aandeel van de baron en de kerkbesturen van de hervormde gemeenten van Driezum en Wâlterswâld is hierin niet onbelangrijk. En ondanks tegenstand van schrijver en liberaal schoolmeester H.G. v.d. Veen, schoolinspecteur Behrns en Gedeputeerde Staten opent zich de weg voor een christelijke school. Een stuk grond aan de Grintweg (nu de Foarwei) in Wâlterswâld wordt aangekocht voor de bouw van een nieuwe school. En op 6 januari 1874 wordt de CNS ingewijd. Het is de eerste christelijke school van Dantumadiel. In 3 jaar tijd groeit het aantal leerlingen tot maar liefst 160. Nog steeds heeft de CNS het niet makkelijk. Overheidssteun ontbreekt en het schoolgebouw begint al snel gebreken te vertonen. Eén onderwijzer geeft samen met een kwekeling les aan 6 klassen tegelijk. Het lekkende dak maakt het lesgeven er niet gemakkelijker op en zorgt voor natte vlekken op boeken en leien. ’s Winters dragen kinderen en onderwijzers met stro gevulde klompen tegen de kou. De Hervormde kerken, de baron, rijke boeren en andere meelevenden steunen zoveel mogelijk. Gelukkig komt in 1890 het eerste rijksgeld binnen en krijgen in 1917 het bijzonder en openbaar onderwijs dezelfde financiële rechten.


 

De jaren ’20 met haar voorspoed en vooruitgang gaan de CNS niet voorbij. Datzelfde geldt ook voor de crisisjaren ’30. In de oorlogsjaren ’40 – ’45 wil de bezettende macht het onderwijs in nationaal-socialistische geest brengen en komt het schoolbestuur voor verschillende moeilijke kwesties te staan. Bovendien kampt de CNS met brandstofproblemen. Door de kou krijgen de kinderen zelfs vrij. In 1945 wordt de school bezet door de Duitsers, maar dat is van korte duur. Een maand later is Friesland bevrijd.

In de naoorlogse jaren wijzigt de CNS haar statuten. De zinsnede ‘belijdenisgeschriften der Nederlands Hervormde Kerk’ wordt in 1957 gewijzigd in ‘belijdenisgeschriften van de kerken der Reformatie hier te lande’. Zo krijgen ook christelijk gereformeerden de kans om lid te worden van de schoolvereniging. Voor een kleuterschool wordt overigens samenwerking gezocht met de gereformeerden. En zo verrijst in 1959 in Driezum de kleuterschool ’t Roazeknopke. Per 1 augustus 1985 treedt de Wet op het Basisonderwijs in werking. Het kleuteronderwijs krijgt nu een plekje binnen de CNS. De tijd van afzonderlijk kleuteronderwijs is voorbij, evenals de termen hoofd der school of kleuterleidster. De lagere school samen met de kleuterschool is basisschool geworden.

Ik seach d’ âld skoalle op in foto stean
en liet oer har myn tinzen nochris gean.
In fêsting wie ’t, grut en sterk,
ôffredige mei gaas en bielzenstek.
Dêrachter it boartersplein,
ryklik heal om de skoalle mei tegels belein.
Oan ’e eastkant de swarte moude by ’t simmerdei.
Hjerstmis ‘polderen’ we dêr de wetterplassen wei,
makken dan dykjes mei lears en klomp.
Dêr stie ek it fytshok en de houten pomp.

 Achter op de tegels hâlden de fuotballers ta.
Driezum tsjin Wâlterswâld, dat gie doe sa.
Foar de skoalle wie mear it toudûnsersplak.
Krythinkelje en knikkerje krigen hjir har gerak.
Soms rolle master Renes in pipermuntsje
op ’e grabbel oer ’t plein.
Dan wie it rinne en rame yn gjin ein!
Woene jo sa’n muntsje ha, dan ’t redsum yn ’e mûle,
in bytsje sân namen jo derop ta.

 By ’t simmer stie wolris in foddekeapman op ’e skoallereed,
stalle dêr syn ruilhannel út op in kleed.
Ut skoalle wei gau nei hûs ta,
ruilen we foar wat fodden dan in fluitsje of sa.
D’ âld skoalle, bunker fan beton en stien,
mei derfoar it deftich wite skoalmastershûs,
wat like it sterk en stoer.
Dochs wie er sa lek as in koer.
By in reinige rite stie de gong soms splis.
Klompen dreaunen út de klompebakken wei,
dan wie it goed mis.

 Op ’e koop tôge master ús ’t lokaal dan yn.
( Dat is no sa’n fyftich jier ferlyn)
Dêr wie ‘t waarm en smûk,
baarnde de grutte swarte koalekachel yn ’e hoek.
Heech wie it griene solderdak,
de houten flier fan planken en skreven, sûnder lak,
de finsterbanken fol reade geraniumblommen,
makken it lokaal ta in noflik hinnekommen.

 Yn ’e opklapbankjes sieten wy dan twa by twa.
Master foar de klasse, achter de hege lessenaar.
Moaie printen oan it lewant, ’k wit it noch skoan,
oer natoer en skiednis, spruts ús ferbylding tige oan.
As master fertelde, en dat koe er as gjin oar,
fûn er by it oars faak drokke folkje in oandachtich gehoar.
Mei ’t sjongen wie dat sa allyk.
Soms stiene minsken te harkjen op ’e dyk.
As master syn skoallekoar sjonge liet,
wie dat foar elk in geniet!

 Dat wie yn de fyftiger jierren ‘alear’.
d’ Ald skoalle is der al lang net mear.
Dochs kamen de tinzen en bylden wer foar myn each,
doe ’t ik dy âlde foto seach.

WeKaJe.

 

 

Op 10 juli 1958 is het feest op de CNS. Een nieuwe moderne school wordt geopend. Het bestuur kiest ervoor om de oude naam te handhaven. Het nieuwe pand krijgt een gedenksteen met daarop de woorden: ‘Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is’ (Deut. 32 : 4a).  

In de jaren ’80 krijgt de CNS steeds meer de trekken van een reformatorische school. De school sluit zich aan bij de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs (VGS) en de gereformeerde schoolbegeleidingsdienst BGS (nu Driestar-Educatief). Ook in de praktijk van het schoolleven begint het reformatorisch karakter steeds duidelijker trekken te krijgen. Het bestuur wil echter niet spreken van een reformatorische school, maar van een Christelijke Nationale School op reformatorische grondslag. Onder druk van de gemeente en om buiten schot te blijven bij toekomstige schoolfusies worden de statuten toch veranderd. In de speciaal hiervoor gehouden ledenvergadering stemmen 47 van de 49 leden voor toevoeging van de zin: ‘De vereniging beoogt het volgen van basisonderwijs op reformatorische grondslag’. Hierna stijgt het aantal leerlingen. De CNS krijgt een regionale functie door de komst van leerlingen uit andere dorpen.

In 1999 viert de CNS haar 125-jarig bestaan. Een reünie trekt ruim 300 oud-leerlingen en voormalige personeelsleden. Met dankbaarheid wordt teruggezien op de geschiedenis van de CNS. Onder Gods zegen is de school opgebouwd en is jaar in jaar uit christelijk onderwijs gegeven aan duizenden kinderen. Een gedenkboek wordt uitgegeven met als titel: ‘1874 – 1999 Op dezelfde vaste grond’.

De historie van de CNS is een geschiedenis van hoogten en diepten. Na 1999 wordt dat niet anders. Wanneer we terugblikken, mogen we één ding wel concluderen: Het is Gods trouw dat de CNS nog mag bestaan. Gods genade tegenover menselijke zonden, ontrouw en misrekeningen. Daarom mag de CNS ook voor de toekomst al haar hoop stellen op die God, Die werkelijk Rotssteen wil zijn.